Informatie over de boomklever

De boomklever is een enigszins gedrongen en actieve vogel met een krachtige puntige snavel. Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel. De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid. In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda’s worden aangeboden.

De boomklever bevindt zich in licht loof- en gemengd bos met ondergroei, vooral met oude en hoge bomen. Ook in parken en lanen en in de winter ook op de voedertafel.

Op het menu staan veel insecten, ,zaden, noten, vruchten, graan en bessen. Harde noten zet hij tussen het boomschors vast en hamert ze dan van bovenaf stuk. Grotere insecten worden met de snavel in stukjes geknipt. De boomklever legt ook voorraden aan.

 

 

 

Beschrijving

De lengte van een boomklever is 12 tot 17 cm.

De bovenzijde en bovenkop zijn blauwgrijs.

De onderzijde is isabelkleurig met roodbruine flanken.

Bij het volwassen mannetje is de achterflank scherp begrensd oranjebruin en hierdoor is het al bij onvolwassen exemplaren mogelijk om het geslacht te bepalen.

Verder heeft hij een brede zwarte oogstreep met lichte wangen en keel.

Bij het volwassen vrouwtje is de achterflank minder scherp begrensd oranjebruin.

Verder is het identiek aan het mannetje.

De boomklever klimt en daalt schoksgewijs langs de boomstam, zonder op zijn staart te steunen.

Buiten de broedtijd bevindt de boomklever zich in gezelschap van mezen.

De boomklever broedt van eind april tot juli in boomgaten of spechtengaten.

Soms broedt hij ook in gaten in muren of in nestkastjes.

Hij maakt het nest niet zelf, maar gebruikt bijvoorbeeld oude, verlaten holen van spechten.

Hij pleistert de ingang dicht met klei vermengd met speeksel zodanig dat hij er zelf nog net door kan.

De broedduur bedraagt circa 2 weken.

Waarschijnlijk broedt alleen het vrouwtje en wordt zij tijdens het broeden door het mannetje gevoerd.

Beide vogels verzorgen de jongen.

Deze vliegen na 24 dagen uit.

Meestal is er één broedsel per jaar, heel soms twee.

Gewoonlijk bestaat het legsel uit 7 tot 9 eieren, maar soms ook uit slechts 5 en soms zelfs uit wel 11.

De eieren zijn melkwit met grote bruine vlekken en grijs/violette onder vlekken.

Gemiddeld 20 × 15 mm.

Opvallend zijn de kleine territoria; meestal niet groter dan 1000 m². I

n een eenmaal gevestigd territorium blijven ze het hele jaar door en komen er alleen enigszins buiten in de winter, in een tijd van voedselschaarste.

Het dichtpleisteren van de nestingang is de reden van de naam boomklever, al heeft het op en neer lopen tegen de boomstam ongetwijfeld ook een rol gespeeld.

Voedsel: ongezouten (dop)pinda’s, vetbollen, zonnepitten, pindablokken, pinda’s en Pindacakes.
Voerplaats: vastgemaakt aan een boomstam op een rustige plaats.