Informatie over de huismus

De huismus eet voornamelijk zaden en insecten. De zang van het vogeltje beperkt zich doorgaans tot getjilp. De huismus beweegt zich vliegend of hippend voort. De mus is een standvogel: hij blijft doorgaans rond dezelfde plek wonen. Het mannetje is duidelijk te onderscheiden van het vrouwtje, omdat de eerste zwarter en bruiner getekend is.

Volwassen huismussen zijn graan- en onkruidzadeneters en passen zich gemakkelijk aan aan wat beschikbaar is. Granen als haver, tarwe en gerst hebben de voorkeur. Omdat huismussen geen kiezen hebben wordt voor de vertering van de zaden grit gebruikt. Ook eten huismussen groenten, in de vorm van bladeren van diverse planten en gele krokus, en fruit zoals appels en abrikozen. Jonge huismussen worden door de ouders vooral gevoerd met insecten zoals vliegen en muggen. Huismussen bijvoeren kan in principe het hele jaar door. Meelwormen vinden huismussen ook erg lekker.

Beschrijving

De huismus is 160 tot 165 mm lang en weegt 24 tot 39,5 gram.

Het mannetje heeft een grijze kruin, grijze wangen, een zwarte keel en borst, een zwart masker met witte stip achter het oog, een witte streep over de vleugels en in het broedseizoen een zwarte snavel.

Het vrouwtje heeft een minder contrastrijke tekening dan het mannetje, een lichte oogstreep, enige tekening op rug en vleugels en een effen lichtgrijze/bruine borst.

In de ruitijd is hun verenkleed soms nauwelijks meer te herkennen als van een huismus.

Mannetjes zoeken vanaf januari geschikte nestgelegenheid en richten dat met droog gras enigszins in.

Dat is meestal een aantal nestplekken vlak bij elkaar.

Een mannetje dat zijn nestbouw begonnen is, is herkenbaar aan de zwart verkleurde snavel, die vanaf januari is te zien.

Zijn de potentiële nesten aantrekkelijk genoeg, dan wordt er een vrouwtje bij gezocht door de lokroep te uiten zoals die op deze pagina te horen is, maar ook door in het nest te zitten en daarvandaan geluiden te laten horen als van jonge mussen.

Al vanaf januari tonen vrouwtjes hun interesse in bepaalde nesten met bijbehorend mannetje.

De uiteindelijke keus voor een bepaald nest kan op zich laten wachten, onder andere doordat een baltsend mannetje een makkelijke prooi is en om die reden zomaar verdwenen kan zijn.

Het vrouwtje kiest de uiteindelijke plek uit de aangeboden plaatsen.

Vanaf dat moment bouwt het mussenpaar gezamenlijk het nest verder af.

Daarin legt het vrouwtje 1 tot 9 eieren, maar vaak 4.

Na ongeveer 12 dagen broeden komen de eieren uit.

Als de kuikens uit het ei komen, zijn ze nog naakt en blind (zie foto) en wegen niet meer dan 3 gram.

Zodra het even donker en dan weer licht wordt – zoals gebeurt wanneer de ouder vogel in de invlieg-opening van het nest komt zitten – sperren ze de nog relatief grote bek wijd open in de hoop voedsel te krijgen.

Gedurende deze eerste week worden de kuikens door beide ouders met klein dierlijk voedsel gevoerd.

Afhankelijk van de beschikbaarheid van insecten wordt er eerder of later over gegaan op plantaardig voedsel.

Hoe langer insecten aan de nestjongen gevoerd worden, hoe meer kans dat de jongen gezond en in leven blijven.

Na ongeveer twee weken vliegen de jongen uit.

Ze blijven hierna nog enige tijd afhankelijk van de zorg van de ouders en worden nog regelmatig gevoerd.

De jongen zijn in staat voor hun eigen voedsel te zorgen zodra de snavels hard genoeg zijn om zaden mee te pellen.

In Nederland zijn de eerste uitgevlogen jonge huismussen, een aantal jaar op rij, begin april waargenomen.

Voedsel:zonnepitten, zaden, pindablokken en pinda’s.
Voerplaats: op de grond, eventueel voedertafel.